door Irma Lommen – Salden

Waarom verlieten er in de jaren zestig van de vorige eeuw zoveel mensen hun geboortedorp, en zelfs hun vaderland, om in een voor hen toch onbekend land een nieuw bestaan op te bouwen?
Helaas is het niet meer mogelijk met enig persoon uit die periode hierover na te praten. Enig giswerk is wel noodzakelijk, maar de economische situatie in het Limburg van die tijd levert toch wel het beeld op dat het de mensen hier niet bepaald voor de wind ging. Uit de opgave van de reden van vertrek blijkt dat het gros der mensen op zoek ging naar een “beter bestaan”. De financiële toestand van de meesten was “minvermogend” of “behoeftig” en dit geeft het “waarom” wel aan. Ongeveer 2/3 van de boerenbedrijven in die tijd was kleiner dan 5 ha. De plattelandsbevolking was steeds meer aangewezen op neveninkomsten uit andere ambachtelijke bezigheden om het hoofd boven water te houden. Men trok naar de stad met de hoop op meer werk en ook de emigratie naar de Verenigde Staten, maar vooral ook naar België en Duitsland was in opkomst. Vanuit Limburg vertrokken velen naar het Rijnland en het opkomende Ruhrgebied. Seizoensarbeiders trokken in de zomer vaak naar Duitsland als landarbeider of om te werken in de steenbakkerijen. Dit bracht met zich mee dat het werk op de boerderij neerkwam op de achtergebleven moeder en kinderen. Door deze vaak langdurige afwezigheid van de mannen werden er ook geen verbeteringen doorgevoerd in het boerenbedrijf. Het gevolg van dit alles was dat er voor de ‘kleine’ boeren weinig kansen waren om een goed bestaan op te bouwen. Het werd steeds meer een ‘struggle to survive’.

Homestead Act

boerHet grootste aantal emigranten gaf als beroep op “landbouwer” of “arbeider”. Andere beroepen waren o.a.: bakker, schrijnwerker, metselaar, kleermaker en schoenmaker. Dat het merendeel der mensen landbouwer was is geen toeval daar men in Amerika met dit beroep de meeste mogelijkheden had. Vooral de befaamde “Homestead Act” uit 1862 heeft ertoe bijgedragen dat de emigratiepiek in 1863 lag. In deze wet werd aan emigranten die hoofd van een gezin waren of ouder dan 21 jaar was, een gratis stuk land toegezegd ter grootte van 160 acres (ong. 64 ha.), men moest Amerikaans staatsburger worden en het land 5 jaren onafgebroken bewerken. Na die tijd zou het land op hun naam worden overgeschreven tegen betaling van 10 Dollar aan onkosten. Men kan zich wel voorstellen dat dit menigeen die toen nog twijfelde over de streep getrokken heeft en definitief heeft doen besluiten om de sprong te wagen. En een sprong in het diepe was het voor velen, want het enige wat ze over hun nieuwe “vaderland” wisten was hun door anderen verteld. Of men überhaupt wist dat het beschikbare land totaal onbewerkt en dus zo genaamde ‘woeste grond’ was? Wist men dat er op dat moment een burgeroorlog bezig was?

Voorlichtingsavonden

Agenten van scheepvaartmaatschappijen maakten driftig reclame. Voorlichtingsavonden werden georganiseerd, b.v. bij den Heer Haenen in Hotel de Limbourg te Sittard en bij den Heer Stox te Echt, waarvoor weer geadverteerd werd in het lokale weekblad Mercurius. In deze regio was vooral de Duitse scheepvaartmaatschappij Strauss zeer actief. Wekelijks verschenen advertenties in de Mercurius, waarin geworven werd met “groote en schoone drie-mast klipper schepen” die twee keer per maand vertrokken vanuit Antwerpen. In 1863 werden dat stoomboten die wekelijks afvoeren naar Noord- Amerika. De firma Strauss had als agenten o.a. J. Horn in Sittard, P. Pernot en F. Savelkoul in Grevenbicht, Willem Joressen in Nieuwstadt, Jean Schoolmeesters in “Maeseyck”, Jennen in “Stockheim” en van Maenen in Keulen. Verder was er de firma P. A. van Es & Co. die vanaf Londen voer met als agent had J. L. Mentjens te Nieuwstadt en de firma Steinmann & Co., ook varende vanaf Antwerpen, met als agent voor deze regio G. Delhougne, ‘op Casino’ te Sittard.

Krant

Ook werden er in de Mercurius brieven van landverhuizers afgedrukt. Brieven die af en toe doorspekt waren met heimwee maar meestal toch een positief beeld gaven van hun nieuwe vaderland. Zoals in het begin al gezegd, enig giswerk blijft nodig om het “waarom” te verklaren. Waarom vertrok men met achterlating van zijn hele familie met de zekerheid dat men hen nooit meer terug zag? Met de zekerheid ook dat er voor velen ook geen weg terug meer was omdat daar gewoonweg geen geld voor (over) was. De schamele bezittingen die men had werden, vooral via openbare verkopingen, verkocht. Als we het weekblad de Mercurius van 1862 en 1863 doorbladeren zien we dat er iedere week meerdere van zulke verkopen plaatsvonden. Door dit grote aanbod kan het niet anders dan dat de prijzen hierdoor gedrukt werden. De enigen die in die tijd goede zaken gedaan hebben zijn ongetwijfeld, zonder negatief te worden, de notarissen. Alles werd te koop aangeboden, van huis met erf en schuur, koeien, ossen en schapen tot alle huismeubelen, waaronder stoelen, tafels, schilderijen, kopjes en schotels en kookpotten. Enkelen hadden ook nog land dat verkocht kon worden, al waren de percelen van vrij kleine omvang – een enkeling daargelaten. De opbrengst van dat alles was voor velen net genoeg om de overtocht te betalen en dan had men misschien nog net iets over om in de eerste levensbehoeften te voorzien bij aankomst in Amerika. Na het bestuderen van vele van deze openbare verkopingen kan ik wel met enige zekerheid zeggen wat voor velen de reden van vertrek was: armoede, geen hoop op een betere toekomst voor henzelf maar vooral niet voor hun kinderen.

Brieven

brief4 (10K)Uit de eerder genoemde brieven, gepubliceerd in de Mercurius, en geschreven door landverhuizers aan de achtergebleven familie, blijkt vooral ook dat men in Amerika een groter gevoel van vrijheid had. Geen baas die hen vertelt wat wel en niet kan. In een brief, geschreven aan zijn vader in Limbricht, schrijft Peter Dircks welke zijn voornaamste reden van vertrek was: de overbevolking in Limburg. In Amerika was volgens hem plaats voor iedereen terwijl in Limburg, naar zijn mening, binnenkort “de zaak vol zou zijn”. Men moet zeggen dat deze Peter Dircks een vooruitziende blik had want vandaag de dag begint Limburg aardig vol te raken. Peter Jacob van Mulken schrijft in oktober 1862 aan zijn zoon in Holtum over Minnesota: “Dit is eene provincie die de anderen te boven gaat, wie mij hier gezegd wordt, ik ben gereist de provincie Kannada, de provincie Wisconsin door maar zoo schrikbaar als het hooi wast dat kunt gij niet gelooven, ik heb het zelfs gemeten op twee dagen 6 zol”!…… Hier ziet men meer land als bosschen het is zeer gezond….” Peter van Mulken schrijft zeer enthousiast over zijn nieuwe vaderland en dringt er bij zijn zoon op aan hem te volgen. Hij eindigt zjn brief met de woorden”…maakt de komplementen aan uw oom Pieter van Mulken en zijne vrouw en kinderen en aan alle die mij kennen en zegt hun uit mijnen naam vaart wel arm Pruisenland ik wenschte vele van hun hier dan behoefden zij niet meer met de mestkar te varen.” ……….! Van Mulken schrijft ook dat degene “die hier 500 dollars kan brengen, die kan zich goed helpen, en hier kunt gij voor alle prijzen koopen, en hoe meer hoe beter”. Er komen ook negatieve berichten uit Amerika. Zo schrijft Wilhelmus Paulussen (uit Echt of Susteren?) in 1863 aan familie in Limburg: “…….zij hebben ook geschreven dat hier alles billig was, alles wat de boer te verkoopen heeft is bijna geen geld waard maar wat hij moet hebben is alles meer dan eens zoo duur dan in Europa……” Hij is niet bepaald enthousiast over Amerika en is boos op de diegene die zulke rooskleurige brieven hebben geschreven. Over de zo genaamde rijkdom schrijft hij: “….want hier is zelfs de rigter (rechter) die heeft geen broek aan het lijf, want die moet nog harder werken als bij u een dagloner….” en “….wat het hooi aangaat wat men bij ons met de zaazel in het broek haalt is nog beter als hier het hooi….” Paulussen denkt er zwaar over nog voor de winter naar Europa terug te keren.

De Kerk

De Katholieke kerk stond niet bepaald positief tegen over deze trek naar Amerika. De pastoor van Buchten o.a., Fourage, was een fel tegenstander. Vooral in de begin jaren waren er maar zeer weinig Katholieke kerken en priesters in het ‘wilde westen’. De weinige aanwezige priesters trokken van streek naar streek en in de weinige dagen die ze op een plaats doorbrachten werd er gedoopt, gehuwd en de Eerste Heilige Communie gedaan. Paulussen schrijft hierover in 1863: “….Meghel van Tis Koenen zij had een kind dat zeven weken oud was en nog het heilige doopsel niet ontvangen heeft hier zijn kinderen zeventien en achttien jaren oud, die nog niet hunne eerste H. Communie gedaan hebben”. En zo komt men tot de slotsom dat het “waarom” voor ieder van hen die vertrokken zijn misschien verschillend is geweest maar toch op hetzelfde neerkomt, men zocht naar vrijheid maar vooral naar een beter bestaan. Een beter bestaan voor zich zelf maar vooral ook voor hun kinderen. Voor de meesten zal de beslissing om naar Amerika te emigreren de juiste zijn geweest, maar er zijn ook mensen teleurgesteld en berooid terug gekeerd.

De Reis

Na verkoop van hun bezittingen en het afscheid van achterblijvende familie en bekenden, kon de reis beginnen. Velen reisden met paard en wagen via Sittard naar Maastricht. Vanaf daar ging men per spoor verder naar Antwerpen waar ingescheept werd voor het grote avontuur. De hele reis koste tussen de 60 en 65 gulden per persoon vanaf Antwerpen. Als men bedenkt dat een dagloon in die tijd 1 gulden bedroeg kan men uitrekenen hoelang de mensen er voor moesten sparen. In een publikatie van de Secretary of the State Board of Immigration in America uit 1870 werd een opgave gedaan van de reiskosten voor emigranten vanaf plaatsen in Europa tot en met St. Paul in Minnesota. Voor de reis Antwerpen – St. Paul werd $45.50 berekend, wat neerkomt op ongeveer 113 gulden ($1 was in die tijd ongeveer 2,50 gulden, nu ongeveer 63 Eurocent!). De reis van New York naar St. Paul per trein koste $37, ongeveer 92 gulden, maar emigranten kregen een korting van 33% tot 50% op de treinreis. Voor voedsel aan boord werd men in de beginjaren geacht zelf te zorgen, maar later werd er bij wet bepaald waaraan de onderkomens en de verzorging op het schip moesten voldoen. Vooral in de eerste jaren van de emigratiestroom heersten er nogal wantoestanden op de boten. De beperkte ruimte benedendeks en gebrek aan vers voedsel droegen er toe bij dat velen tijdens de overtocht ziek werden en zelfs stierven. Dit overkwam helaas ook een der Limbrichtse emigranten families. Theodoor van den Bongard uit Guttecoven overleed tijdens de overtocht in 1867, achterlatend zijn zwangere echtgenote en 7 kinderen!

De omstandigheden verbeterden in de loop der jaren, maar toch was het alles behalve een pleziertochtje. Het gros der emigranten had nog nooit de zee gezien, laat staan ooit gevaren. Men kan zich dan wel voorstellen dat er bij enige ruwe zee velen zeeziek werden. Ook de lengte van de reis, 3 tot 6 weken, en het dicht op elkaar leven op de boot leverde nogal onhygiënische toestanden op. Even douchen aan het eind van de dag was er niet bij, ik vraag me af of er überhaupt een wasgelegenheid aan boord was. Bij aankomst in New York, er werd ook via Canada gereisd, ging men uitgeput aan land. Vanaf de haven ging het te voet naar Castle Garden in Lower Manhatten (nu Battery Park) voor de emigratieformaliteiten. (Ellis Island werd pas rond 1892 in gebruik genomem). Castle Garden was origineel een verdedigingsfort gebouwd rond 1810. Nadat in 1821 het leger het fort verlaten had werd het door de stad New York o.a. gebruikt als restaurant en uitgaanscentrum. In 1855 werd Castle Garden in gebruik genomen voor de eerste opvang van emigranten.Tot ongeveer 1890 passeerden meer dan 8 miljoen mensen dit gebouw. Hier werd de eerste schifting gedaan. Er volgde een controle door de Amerikaanse Emigratiedienst, waarbij gelet werd op besmettelijke ziekten, of men enig startkapitaal had en of men een plaats van bestemming kon opgeven. Pas in 1882 werd er een nieuwe, strengere, federale emigratiewet in gebruik genomen. Toen werd o.a. een belasting ingevoerd van 50 dollarcent per emigrant. Tot die tijd gold de oude wet uit 1819 welke maar een minimum aan eisen stelde. Wanneer men deze eerste hindernis gepasseerd was, was men verder op zichzelf aangewezen. Velen waren toen al een gedeelte van hun meegebrachte schamele bezittingen kwijt, geroofd bij het verlaten van de boot. De verdere reis werd gedaan met paard en wagen of trein via Chicago richting de Mississippi. Via deze rivier voer men tot St. Paul in Minnesota waar men overstapte op kleinere rivierboten om de reis te vervolgen via de Minnesota rivier tot Carver of Chaska. In deze plaatsen hebben velen zich in eerste instantie gevestigd. Enkelen trokken verder naar het door hun opgegeven Benton in Carver County. Nu was men in AMERIKA, het beloofde land, en kon men beginnen aan het opbouwen van een nieuw bestaan.

in Amerika

Wat is een Township?

Amerika kent geen Provincies maar Staten. Een Staat wordt verdeeld in County’s en een County wordt weer onderverdeeld in Townships. Bij het opmeten en in kaart brengen van een landstreek worden er op de kaart rechte lijnen getrokken die van Oost naar West, de zg Township Line, en van Zuid naar Noord, de zg Range Line, lopen met een onderlinge afstand van 6 mijl (iets minder dan 10 km). Hierdoor ontstaan vierkanten van 36 vierkante mijl groot en deze worden Township genoemd. Elke Town/Township is weer onderverdeeld in 36 vierkanten van een bij een mijl, de z.g. secties. De nummering loopt van rechts naar links in de eerste rij, dan weer van links naar rechts in de tweede rij enz.

Nummering van een Township:
section township

Iedere sectie kan verder verdeeld worden in een halve, een vierde en een achtste sectie. Een hele sectie is 640 acres groot (256 ha). Het aangeboden land volgens de Homestead Act, 160 acres, is dus 1/4 sectie – een ‘quarter’ genoemd.

Wat is een Census?

In Amerika worden vanaf ongeveer 1790 volkstellingen gehouden, de z.g. census. Iedere vijf jaar vindt er een telling plaats. In jaren eindigend op vijf vind de State (per staat) Census, plaats en ieder jaar eindigend op 0 de Federal (landelijke) Census. De Federal Census is veel uitgebreider, de Federale regering wil duidelijk meer te weten komen over hun ‘onderdanen’. Wanneer we de Federal Census van 1880 als voorbeeld nemen komen daarop niet minder dan 25 vragen voor terwijl voor de State Census van 1885 maar 10 vragen beantwoord hoeven te worden. De vragen die op beiden voorkomen zijn vooral; naam en voornaam, leeftijd, geslacht, huidskleur en geboorteland. Een census werd opgenomen door een assessor, meestal iemand die zitting had in het stadsbestuur. Door taalproblemen werden de namen vaak verkeerd gespeld en ook de opgaven van leeftijd blijken niet altijd te kloppen. Wat opvalt bij de opgaven door de Limburgse emigranten is, en dit vooral in de beginperiode, dat bij velen als land van herkomst ‘Germany’ is genoteerd. Of dit door de Limburgers zelf opgegeven werd of dat dit door de ‘teller’ aangenomen werd is helaas niet meer te achterhalen. Feit is echter dat de Limbrichtse emigranten zich in een streek vestigden waar al reeds vele Duitsers, waar onder velen van de ‘Selfkant’, woonden.

Hoe verliep de landaankoop?

Toen de landverhuizers uit Limbricht begin jaren zestig van de 19e eeuw in Minnesota arriveerden was al het grootste gedeelte van het land in Carver County, en ook in de meeste omliggende Counties, reeds geclaimd. Ze moesten daarom land kopen van eerdere bezitters. Men kon namelijk al veel eerder, via allerlei wetten, aan land komen in de onbewoonde gebieden van Amerika. Het voert te ver om al deze wetten hier te bespreken maar ik wil er toch enkele uitnemen. Ten eerste de Pre-emption Law welke vanaf ongeveer 1841 van toepassing was. Volgens deze wet kon men land, dat wel opgemeten maar nog door niemand bewoond was, in bezit krijgen wanneer men er vijf jaar op gewoond en gewerkt had. Men had zo gezegd de eerste keus. Dan waren er ook nog de z.g. Military Land Warrants wat een soort nabetaling was voor de te lage betaling aan de veteranen uit de burgeroorlog. De spoorwegen bezaten ook vele miljoenen acres land. Dit Railroad Land was hun door de regering geschonken om de economische groei te bevorderen door het aanleggen van een spoorwegnet door de gehele natie. Veel van dit land werd verkocht aan landverhuizers. Toen in 1862 de Homestead Act uitgevaardigd werd was er in de Counties waar zich onze Limbrichtenaren vestigden geen land meer verkrijgbaar via deze wet.

Van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) hebben de Limbrichtse emigranten bijna niets meegekregen. Meer last had men dan de Indianen opstanden. Menig gezin zal gevlucht zijn toen in 1862-1863 de grote Indianenopstand uitbrak. Het gezin van Cleef uit Born vluchtte bijvoorbeeld naar een eiland gelegen in Waconia Lake. Toen men na enige maanden terug kwam stond alle serviesgoed nog op tafel, alles was zoals men het achtergelaten had.

Wat is er verder nog van belang om te weten?

De gebieden in Minnesota waar onze Limbrichtse emigranten zich vestigden waren al voor een groot gedeelte bewoond door vooral Duitsers. Zowel de Limburgers als de Duitsers spraken zeer weinig tot geen Engels. De Duitse taal daar en tegen was geen probleem voor de Limburgers en daarom is het niet verwonderlijk de zij bijna helemaal ‘verduitsten’. Het gaat zelfs zover dat enkelen bij het aanvragen van het Amerikaanse Staatsburgerschap de Nederlandse Koning afzweren maar bij de uiteindelijke toekenning hiervan, ongeveer zes jaar later, de Duitse Keizer afzweren. Wanneer later kerken komen worden de diensten in het Duits gevoerd. Dit zal nog zeer lange tijd duren. Op scholen wordt zowel in het Duits als Engels les gegeven. Menige zoon en dochter van de emigranten sprak al snel de Engelse taal terwijl thuis toch Duits en misschien Limburgs de voertaal bleef. Via de bovengenoemde Censussen leren we dat de ouders wel op een gegeven moment Engels konden spreken en lezen maar nog niet in deze taal konden schrijven.

Ook de oude gebruiken uit het vaderland werden lange tijd in ere gehouden, zoals het inschieten van het Nieuwe Jaar en van huis tot huis trekken om een Gelukkig Nieuwjaar te wensen om daarvan in de vroege uurtjes nogal beneveld thuis te komen. Bruiloften werden ook uitbundig gevierd met volop voedsel, drank en muziek. De slacht in November was ook daar gebruikelijk en een bruiloft viel dan ook vaak hiermee samen.

Het dragen van klompen was ook nog lange tijd gewoon en nadat het meegebrachte paar kapot of versleten was moest men naar Chaska om een paar nieuwe te kopen. In deze stad had zich een Nederlandse schoenmaker gevestigd en zich gespecialiseerd in het maken van klompen. In het gebied rond Victoria in Carver County is mandenvlechten een van de huisvlijten die tot op heden nog niet verloren is gegaan. In de stenen bakoven buitenshuis, ‘t bakkus, werd het brood lange tijd op de traditionele manier gebakken. Er wordt in de mij beschikbare literatuur geen vermelding gemaakt over andere baksels dan brood. Of er ook Limburgse vlaai gebakken is betwijfel ik echter vanwege het feit dat velen, vooral in het begin, zich het dure tarwemeel niet konden veroorloven.

Een van de nieuwe dingen die men in Amerika leerde was het maken van Maple Syrup. Eerdere emigranten hadden, bij gebrek aan suiker en aan geld om deze te kopen, ontdekt dat men van het sap van de maple tree, de esdoorn, makkelijk een zoete stroop kon maken. Voor het verkrijgen van 1 liter stroop had men wel ongeveer 100 liter sap nodig, dit werd vaker al in het bos ingekookt in grote ijzeren ketels. Door een witte draad in de stroop te hangen en deze 5 tot 6 weken zo te laten verkreeg men de harde kandijsuiker welke ook als snoep voor de kinderen werd gebruikt.

Bronnen o.a.

  • Weekblad Mercurius, meerdere jaargangen
  • Notaris archieven Sittard e.o.
  • The History of St. Victoria Parish, 1857-1957, John A. Diethelm
  • They Chose Minnesota, June Drenning Holmquist
  • The Metes & Bounds and Township & Range Systems of Land Measurement, International Internet Genealogical Society University
  • Land en Dollars, Minnesota en Dakota; Inlichtingen voor Landverhuizers, J. Knuppe, 1883
  • Geschiedenis van de beide Limburgen, Prof. Dr. W. Jappe Alberts